|

|
Tracklijst: Pulling punches (5:00), The ink in the well (4:28),
Nostalgia (5:38), Red guitar (5:05), Weathered wall (5:40), Backwaters
(4:49), Brilliant trees (8:31)
|
Al tijdens zijn Japan-periode was het duidelijk dat David Sylvian een uiterst
begenadigd en talentvol muzikant was. De muzikale evolutie van Japan (van
lichtjes verwijfde, blitse new-wave tot smaakvolle, oosters getinte
sfeerstukjes) liet het beste vermoeden voor de eerste solo-escapade van Sylvian.
In 1984 was het dan (eindelijk) zover, een het zeer respectabele muziekblad
‘Oor’ schreef hierover het volgende : "BT is een juweel van pastorale
verstilling, een tijdloos document met Oosterse invloeden". Een summiere,
maar gepaste beschrijving van dit wondermooie album.
Sylvian (zang, gitaar, toetsen) had zich voor z’n eerste solo-project weten
omringen met een aantal gerenommeerde namen uit de muziekwereld : broer Steve
Jansen (drums) en Richard Barbieri (toetsen) (allebei tevens ex-Japan), Holger
Czukay (rare geluiden), Riuichi Sakamoto (toetsen), John Hassell en Mark Isham
(beiden trompet), Phil Palmer (gitaar), Steve Nye (toetsen) plus nog enkele
gastbijdragen.
Sylvian’s werkwijze doet me sterk aan Peter Gabriel denken (raar dat beiden
nog nooit echt samengewerkt hebben) : sferische, multi-gelaagde songs, met veel
aandacht voor ritmiek en percussie. Opener ‘Pulling punches’ is een pompend,
funky nummer, met virtuoos samenspel tussen bas, gitaar en toetsen. ‘The ink
in the well’ baadt dan weer in een zwoel jazzy sfeertje, met Danny Thompson op
dubbele bas. Het adembenemend mooie en fragiele ‘Nostalgia’ laat een
mijmerende Sylvian horen, wiens breekbaar stemgeluid ronddobbert op een dreigend
kalme zee van percussie. "Een juweel van pastorale verstilling"…zeg
dat wel. In ‘Red Guitar’, iets ‘poppier’ dan het overige materiaal, is
de hoofdrol weggelegd voor Steve Nye, hoewel de titel een ander instrument
suggereert. ‘Weathered wall’ is weer zo’n sferisch stukje, met veel ruimte
voor de experimentele geluidskunstjes van Holger Czukay. Het ijle ‘Backwaters’
kabbelt rustig voort en wordt waardig afgelost door het slotnummer (en tevens
titeltrack), waarin het serene toetsenwerk fraai begeleid worden door John
Hassell’s sfeervolle trompetklanken.
Niet zozeer door zijn muziek, dan wel door zijn artistieke ingesteldheid
vertoont het werk van Sylvian (tot op de dag van vandaag nog steeds van
uitstekende kwaliteit overigens) raakvlakken met progressieve muziek, getuige
hiervan de nauwe samenwerking met o.a. Robert Fripp. Dat zijn output op
kwantitatief vlak eerder beperkt is, pleit enkel voor ’s mans integriteit.
Bespreking : Piet Michem
|