|
Toen
ik op 31 mei 2000 eindelijk King’s X live aanschouwde, was dit een
gebeurtenis die ik nu nog van levensbelang vind (met in het
‘voorprogramma’ de uitstekende Spiritual Beggars). Live imponeerde
de groep nog veel meer dan op CD en met name het door Hendrix en de
Beatles geïnspireerde gitaarspel van Ty Tabor wekte mijn grote
bewondering. Vandaar dat ik ook een tandje bij zette toen deze CD
besproken diende te worden.
The
Jelly Jam is in feite het vervolg op Platypus, die na het vertrek
van toetsenist Derek Sheridian de naam veranderden in The Jelly Jam.
Buiten Ty Tabor op gitaar en zang, treffen we in de groep ook de
bijklussende Myung (Dream Theater - bas) aan en Rod Morgenstein op
drums. Dit is hun tweede CD en we hebben er vrij lang op moeten
wachten, maar de agenda van de betrokkenen in acht genomen valt dit
nog best mee.
Het
is vooral Ty die zijn stempel op het album drukt – hij verzorgde ook
de productie – want buiten zijn herkenbare zang en veelzijdig
gitaarspel is dit ook compositorisch wel zijn pakkie an. En daar kan
ik alleen maar verheugd over wezen. Want dit betekent dat we een
herkenbaar, maar toch afwisselend geheel voorgeschoteld krijgen dat
borg staat voor drie kwartier hoogwaardige rock in al zijn facetten.
Stevige, in de jaren
70 gedrenkte riffs openen het album. Gewone en vervormde vocalen
wisselen af. Goede rock met een zompig karakter. ‘Coming Round’
begint akoestisch en is een mid tempo track met een puur Amerikaans
karakter. Een beetje melig, maar dit wordt halverwege goed gemaakt
door een vurig stukje gitaar. ‘Empty’ toont fijnzinnig hoe een leuk
allegaartje van verbeten basriedels, pompende riffs en koortjes een
stuk eigenzinnige rock kan opleveren. Maar dan is er een nummer dat
naar de ziel grijpt! ‘Drop The Gun’, een song van weinig woorden die
de geheimzinnigheid heeft van ‘No Quarter’ van Led Zeppelin. Het
thema wordt verder verwerkt in het licht psychedelische ‘Allison’.
Ergens doet de band ook al eens aan Porcupine Tree denken.
Maar nog meer aan de Beatles! Ik voel me zo in Liverpool als ik
luister naar ‘Maybe’, die stembuigingen, de thematiek, en de
muzikale omlijsting zijn een ode aan de fab four. In ‘She was Alone’
wordt het refrein ietwat teveel herhaald, maar dat wordt ruimschoots
goed gemaakt door het gevoelige ‘You don’t need me anymore’.
De jaren 70 zijn duidelijk aanwezig maar CSN&Y blijven nog net uit
de buurt. Je hoort hier weer duidelijk dat Ty een John Lennon fan
is. Maar rocken kunnen ze ook, dat bewijst ‘Runaway’. Een album vol
verfijnde liedjes dus, heel aangenaam om naar te luisteren. |