 |
Glendon Jones : gitaar, akoestische en elektrische viool,
elektrische mandoline, cuatro
Ted Casterline : bas, gitaar, piano, zang, loops, akoestische en
elektrische gitaren, percussie, samples
Valerie Opielski : toetsen, gitaar, orgel, piano, bas, percussie,
clavinet,
Ely Levin : drums, percussie |
|
Als ik het Cuneiform label op me zie afkomen zet ik me steeds
schrap. Makkelijk is namelijk anders en het label heeft dan ook een
boontje voor moeilijk in het gehoor liggende muziek. Voor het uit
Brooklyn afkomstige Krakatoa kwartet is dit nieuwe bundel
kamermuziek alweer hun derde langspeler. Met een enorm brede waaier
aan instrumenten krijgt elk van de zestien nummers dan ook een
geheel eigen karakter mee. Zelf plaatsen ze hun muziek tussen
“baroque cartoon music”, “progressieve rock” en “chamber punk”. Aan
jou om te oordelen of dit in je platenrek thuis hoort. ‘Spiral Dive’
is het soort instrumentale gekte wat best te pruimen is, alsof je
Sonic Youth laat samenwerken met een klassiek ensemble. Ook het
repetitieve ‘Telegraph’ is uit het goeie hout gesneden met een
lekkere viool als rode draad en een drummer die Stewart Copeland
probeert te evenaren. ‘Snoopy with Mohawk’ zou dan weer zo uit de
R.E.M. stal kunnen zijn weggelopen. In ‘Albatross to Betatron’ komt
er plots een beetje socca overgewaaid. Krakatoa kent ook zijn
klassiekers en haalt Katchaturian’s ‘Sabre Dance’ door de mangel.
Het viertal pakt alle muzikale stromingen aan terwijl het de slappe
koord tussen realiteit en fictie bewandelt. Onderlegde muzikanten
als ze zijn vatten ze het cynisme van een Zappa samen met de
serieuze muzikale benadering van een John Zorn en het ongrijpbare
van een Tortoise. Melodielijnen zijn hier vaak zoek doch dit album
valt al bij al nog mee vermits de pure avantgarde in wezen
achterwege blijft. |