|
Dit is intussen al het
derde album van de Britse progformatie Tantalus en het dient gezegd: dit
is een schot in de roos. Daar waar de vorige albums nog niet unaniem
door de schrijvende pers werden aanvaard, kan ‘Lumen et Caligo’ zeker
als één van de hoogtepunten uit 2002 worden beschouwd. En het is weer
eens het bewijs dat de Britse progressieve rock terug in de
belangstelling komt.
Dit album houdt het midden
tussen melodieuze progressieve rock en neo-prog, met flarden progmetal
en zelfs alternatieve rock. Er zijn dan ook heel wat referenties voor
deze groep te vinden, wat niet betekent dat ze aan recyclage doen.
Lumen et Caligo is het
eerste deel van een dubbelalbum, waarvan het tweede deel later op het
jaar zal uitgebracht worden. Voor dit album hebben ze ook een beroep
gedaan op singer/songwriter Nicky James, vooral bekend vanwege zijn
aanwezigheid in de seventies bij groepen zoals Moody Blues en The Move.
Hun samenwerking resulteerde trouwens in een schitterende vertolking van
de klassieker ‘Black Dreams’
As far as
I’m concerned, this album represents the birth of the next Moody Blues
or Pink Floyd…they really are on par with those artists and it's about
time that the world saw bands like it again” -
Nicky James
Het eerste nummer op het
album ‘While There's Still Time’ is eigenlijk een verlengstuk van de
afsluiter ‘Now’s the time’ op Jubal. Er werden een aantal modernere
synthesizergeluiden aan toegevoegd, een stevige dance beat en een hele
reeks weinig gebruikelijke instrumenten, zoals de accordeon en de
dulcimer. Het begin doet een beetje denken aan Alan Parsons Project met
eerst nog een jig, na anderhalve minuut komen keyboards à la ELP naar
boven, waarna het geheel tenslotte evolueert naar een prettig in het
gehoor liggende song (goede zangstructuren van Bob Leek). Een zeer
gevarieerde song met in het midden ook nog schitterende gitaren en een
folky intermezzo.
Duidelijk minder complex
en meer pop-geöriënteerd is het rustige ‘Eyes’, opnieuw sterk gezongen
en catchy met een duidelijke knipoog naar de hedendaagse rock-scene. Dit
is trouwens één van de 3 nummers, geschreven door Bob Leek, en dit geeft
aan dit album trouwens een extra dimensie in vergelijking met het
vroegere werk.
Raining on the Parade
baadt dan weer in het progressieve water, een interessante afwisseling
tussen gitaar en keyboards in een lange intro, die ineens omslaat in
heel rustige maar mooie zangpartijen. De piano geeft een heel aparte
sfeer aan dit nummer, de overgangen tussen stille en dynamische passages
zijn indrukwekkend.
Harp Dance/Dig the Sod
houdt het midden tussen Mostly Autumn en Pink Floyd, een melodieus
instrumentaal folky nummer, dat in het begin middeleeuws klinkt vooral
door de alt-blokfluit en vervolgens overgaat in een dromerige gitaarsolo
(Camel-like).
Pure neo-progressieve rock in ‘Fingerpainting’,
die rustig voortkabbelt maar toch een heel herkenbaar refrein heeft. Dit
nummer heeft een heel aparte sfeer door de ambient synth-geluiden, de
mooie gitaarsolo en de ‘erotische’ teksten
J
.
‘On Dr. Syntax’s Head’ is
dan weer helemaal in de stijl van het Zweedse Cross, een nogal dreigend
nummer met zware gitaren en intrigerende keyboardsolo’s. De groep noemt
het zelf ‘controlled disharmony’ en zo klinkt het inderdaad.
En onmiddellijk na een
toch wel energiek nummer komt als scherp contrast dan het akoestische
Shhhh! We’re Sleeping, een leuk rustpunt op het album en een bewijs van
het muzikaal talent van zanger Bob Leek.
Een typisch progressief
nummer in de stijl van Grand Stand met schitterend gitaarwerk, de
obligate tempowisselingen en keyboardsolo’s, die op sommige momenten aan
het betere UK doen denken. Na enkele prachtige solo’s komt er aan het
einde terug een akoestisch folky intermezzo (Oldfield?) om tenslotte te
eindigen in pure Gilmoureske stijl. Indrukwekkend!
‘Dancing on eggshells’ is
dan weer een prettig in het gehoor liggende song (80s) met toch weer een
splijtende gitaarsolo, toch wel één van de opmerkelijkste elementen van
de groep.
‘On Hearts ‘n’ minds’ doet
me dan weer denken aan het trage werk van Pain of Salvation (althans
vooral de intro), terwijl de synthsolo dan weer in de stijl van Pallas
ligt. Er zijn inderdaad heel wat referenties te vinden in het werk van
Tantalus, maar dit is positieve kritiek, want het klinkt allemaal heel
origineel.
Het album eindigt met
‘Black Dreams’, het 70s nummer van Nicky James dat echter heel
hedendaags klinkt. Opnieuw schitterend gezongen en een leuke gitaarsolo.
Het zal duidelijk zijn:
dit is een prachtig album van een groep, die de perfecte mix heeft
gevonden tussen melodieuze rock en neo-progressieve rock. Ik kan niet
wachten om het tweede deel van dit project te horen.
|