|
Release : 2000
Label : Black Rills Records
Catalogus nummer : 08248
Totale speelduur : 63’37"
|
Tracklijst:
Fandango (8’44") / Niemals nirgends (11’16") / Lamento
eines Zeitgenossen (8’33") / Bruchtalbahn (9’23") /
Miniaturen (1’49") / Dichterstress (9’02") /
Seidenleicht (12’03") / Wie-auch-immer-Tanz (2’43")
Muzikanten:
Anja Wylezol : stem, elektrische gitaar, dwarsfluit, klokkenspel,
akoestische gitaar
Kai Siebel : bas, regenmaker
Peter Praesent : drums, percussie
Andreas Koch : elektrische en akoestische gitaren, klokje,
platendraaier
Website:
www.main.kinzig.net/privat/krabat
|
Sterk aanleunend bij de analoge seventies doch met een gezonde dosis
eigenzinnigheid en een stevige knipoog naar jazz en Canterbury scene bevindt het
Duitse Krabat zich meteen in m’n lade ‘aangename verrassingen’ ! Na het
debuut "Homo Ludens" uit 1997 krijgen we weer lange uitgesponnen
instrumentale stukken waarbij ondermeer de gitaar zich van een George
Benson-achtige eenvoud en finesse laat horen geflankeerd door inventieve
zijsprongen waarbij met name zangeres Anja Wylezol de originaliteit extra
beklemtoont. In ‘Niemals Nirgends’ komen vervaarlijk donker klinkende
gitaarklanken op je af terwijl het repetitieve patroon vergelijkingen met White
Willow doorstaat. Ongepolueerde jazz zwemt doorheen ‘Lamento eines
Zeitgenossen’ met opnieuw als hoofdrolspeler gitarist Andres Koch terwijl de
Duitse zang hier wel erg gedurfd overkomt. Het doet me in de verte een beetje
denken aan Anyone’s Daughter’s "Pictors Verwandlungen". Leuk is
zondermeer de inkleuring van het geheel door middel van het fragiele geluid van
de glockenspiel. Er wordt ook met omgekeerde loops geëxperimenteerd gedurende
‘Bruchtalbahn’ waarmee meteen de introductie van psychedelica een feit is.
De inkleding van de gitaar leunt echter sterk aan bij een groep als National
Health en zelfs Khan. In feite kaatst de muziek heen en weer tussen Zappa en
Fripp met als rode draad wellicht de complexe aanpak van een Gentle Giant
gelardeerd met de wijdse, bijna kosmische gitaar aura van een Tangle Edge.
Het folky gevoel van een Änglägard is dan weer hoorbaar middels ‘Miniaturen’
waar dwarsfluit en akoestische gitaar de eenvoud alle eer aan doen. Die eenvoud
wordt doorgetrokken tijdens ‘Dichterstress’ waarbij opnieuw de dwarsfluit
voor wat gemoedsrust zorgt. De Duitse, ietwat atonale, zang maakt het niet
meteen het toegankelijkste nummer doch houdt het eindresultaat boeiend tot het
einde ook al had ik hier wat magistrale Mellotron gewenst. De zoektocht naar
eigenheid gaat verder en hier en daar begin ik onderhuidse Höyry-Kone trekjes
te ontdekken zoals tijdens ‘Seidenleicht’ dat een perfect Cuneiform product
op de massa loslaat. Vreemd om zeggen is misschien dat de theatrale, op sommige
momenten bijna opera achtige, stem van Anja op de heupen begint te werken
vermits ze de instrumentale breekbaarheid van de muziek komt verstoren. Krabat
is dan ook op haar best tijdens het rustige ‘Wie-auch-immer Tanz’ waarbij
Andres Koch zijn techniek voor een laatste keer mag etaleren. Zonder meer een
zeer belovend product van een moeilijk te catalogeren nieuweling in het genre.
Bespreking: John 'Bobo' Bollenberg
|