KITCHEN OF INSANITY: Orpheus feeling

Cover Musicians
KITCHEN OF INSANITY: Orpheus feeling
Paul De Borger : zang, akoestische gitaar, harmonica
Frank De Cort : gitaar en tapes
Phil Ijzerdraad : bas
Jan Hollants : toetsen, accordeon
Hans Boeyen : drums

 

Release Label Cat. N° Playing Time Rating
1992 Manifesto Records MR004 44’14’’ -
Website Contact Style
- - Progressive Rock
Review by
Vera "Gothica"

Deze groep uit het Antwerpse verdient een postuum eerbetoon.  De eerste tweedehands LP die ik ooit kocht was Emerson Lake & Palmer I van ene Paul De Borger die in mijn buurt woonde.  Ontdekt in Humo’s ‘wizoektdivindt’.  ‘Take a pebble’ en ‘Lucky man’ groeiden uit tot favorieten.  Later bleek de gitarist ‘de zoon van den boekenwinkel’ … het was zoet toeven in een tijd toen symfonische rock een nieuwe lichting was: alom geprezen en ruim vertegenwoordigd in het straatbeeld want het was immers mode.  De euforie van de jaren zestig kwam hier grotendeels tot ontwikkeling vanaf ’70.

Jaren later zag ik in een etablissement in Deurne een affiche hangen : ‘Kitchen of Insanity in concert’ met verwijzing naar de Doors.  Sindsdien werd het een jaarlijkse traditie om in dat café annex oefenruimte het jaarlijkse concert bij te wonen.  Ondanks de sobere infrastructuur van het zaaltje straalde de groep op het podium zo’n charisma uit dat elke afleiding van de omgeving in het niets verdween.  Uiteindelijk legden we onvermijdelijk contact met Paul, zijn muzikale smaak bleek ook dan nog inspirerende parallellen te vertonen met de onze; buiten de Doors en de jaren ’60 ook John Cale , Nick Drake en vooral Scott Walker.

Dit opzien tegen het te felle licht van het leven komt je al meteen tegemoet in het eerste nummer ‘Bare existence’ dat verhaalt over een op de dool zijnde figuur zwalpend tussen droom en daad.  Ondersteund door akoestische gitaar en accordeon worden we gedropt in het regenachtige Parijs.

Een swingende riff met wah wah opent ‘Sitting in the shades of summer’, een uptempo nummer dat meer Doors is dan de Doors zelve.  Geen zwak doorslagje echter maar met hart en ziel stammend uit de wazige, schemerige psychedelische scene.  Vele groepen dwepen met het geluid van de seventies nu, maar het is duidelijk dat in dit gezelschap dezelfde periode voor de inspiratie heeft gezorgd.  Tot het orgel en het gitaargeluid toe.  En toch vind ik dit na al die jaren nog steeds opvallend goed.  Waarom ? Dit heeft diepgang, bovendien vormen tekst en muziek een homogeen geheel dat een existentialistische sfeer opbouwt.

Het intro van ‘Passing through’ lijkt geplukt van een vroege Cuby & the Blizzards LP.  Tevens vertoont het enige gelijkenis met ‘Summertime’ met een prominente rol voor de piano.  De sierende gitaarintermezzo’s zijn eenvoudig maar dat is juist hun charme; de quasi herkenbaarheid is de balsem op de ziel.  Geen afstand tussen muzikanten en publiek wordt gevoed, alles blijft zo toegankelijk dat het een lust voor het oor is.  Kleinkunst en melancholie samengesmolten tot een krachtig manifest vol zeggingskracht.

Een Parijs walstempo gegoten in de vorm van een gitaarsolo schuifelt in ‘Lost in my dreams’ naar een commercieel refrein met galmende stemmen, even duurt dit maar want de gitaarklanken vervolgen hun weg naar de einder.

‘Whatever’ is opgedragen aan de veel te vroeg gestorven Nick Drake.  We bevinden ons in een bos met vogels en paarden als Paul dit berustende epos zingt.

Na het wegvloeiende hoorspel ‘Drink’ volgt ‘Never growing inside’. In tegenstelling tot deze titel zijn deze muzikanten duidelijk wél bezig met hun innerlijke groei, zodanig zelfs dat als deze songs niet meer zijn dan creatieve klanklandschappen en ze geenszins een weerspiegeling van het leven van de uitvoerende artiest in dagboekvorm blijken te zijn, dan nog wekken deze mijn bewondering.  Zo doet de gitaarklank me meermaals denken aan het geluid in ‘The pusher’ van Steppenwolf, dat scheurende en ruimtelijke gevoel van weleer.

(intro van ‘Orpheus feeling’)  Dit lange titelnummer laat zanger Paul nog eens de schim van Jim Morrison illustreren op zo’n treffende wijze dat de omkrulde babyface van ’t idool van toen bangelijke vormen aanneemt.  Piano en gitaar zorgen hier voor een crescendo accent hetgeen het nr in zijn volle lengte de kracht van dynamiet bezorgd.

Om geen belichaming van de trein der traagheid te verworden is ‘Sunny day’ een zonnig deuntje in de smakelijke bluestraditie.  En de afsluiter is een soundalike van de vluggere Doorsnummers ; ’n hups orgeltje incluis om met een luchtige noot te eindigen.  De piano wordt aan de kant geschoven en er mag al eens gedanst worden.  Perfect evenwicht tussen zwartgalligheid en de beest uithangen.

Wie na het lezen/beluisteren van de Tea Party naar de platenzaak gerend is om de jaren ’60 terug liefdevol in de armen te sluiten kan dit gebaar herhalen met deze CD.

De laatste keer dat ik Kitchen of Insanity live zag was in Hof ter lo (1992) met andere groepen van Manifesto Records.  Sindsdien is het enige dat ik vernam : ze zijn aan hun derde LP bezig (die er nooit kwam).  Spijtig.  Maar wat mij betreft hebben ze 2 parels geschonken aan de Belgische muziekscene.

I’ve built my thoughts on all that is gone …

For tomorrow is just a haunted song

Zo lezen we op de hoes.  En helaas bevat dit de waarheid omtrent de groep nu.

Tracklist
  1. Bare existence (3’14’’)
  2. Sitting in the shades of summer (4’55’’)
  3. Passing through (6’00’’)
  4. Lost in my dreams (4’14’’)
  5. Whatever … (2’40’’)
  6. Drink (1’40’’)
  7. Never growing inside (6’17’’)
  8. Orpheus feeling (8’33’’)
  9. Sunny day (3’39’’)
  10. St.-Vitus dance revised (3’14’’)

Website in order to promote progressive rock to a broader audience in Flanders but also in the entire world. No part from this website may be used in any other publication whether in print or on the world wide web without the editor's consent - all material is exclusive to Prog-Nose and copyright protected.

Last updated: 14 september 2003 .
All rights reserved. Copyright © Prog-Nose 30/05/2001.